Posts Tagged ‘Zingen Kinderliedjes’
De kleinste
In ‘t groene dal, in ‘t stille dal
Waar kleine bloempjes groeien
Daar ruist een blanke waterval
En druppels spatten overal
Om ieder bloempje te besproeien (2x)
Ook’t kleinste
En boven op de heuveltop
Waar hoge bomen groeien
Daar zweept de stormvlaag fel en bits
Daar treft de rosse bliksemflits
En splijt, bij ‘t daav’rend onweersloeien (2x)
De grootste
Omhoog, omlaag, op berg en dal
Ben ‘k in de hand des Heeren!
Toch kies ik, als ik kiezen zal
Mijn stille plek, mijn waterval
Toch blijf ik steeds, naar mijn begeren (2x)
De kleinste
De grote banaan uit afrika
De grote banaan uit afrika die danste de hele dag
van je bi boe ba ba nanana en iedereen die het zag zei;
hé waar komt die banaan vandaan hé waar gaat ie naar toe
we dansen die banaan achterna van je bie boe ba la loe
De grote banaan uit afrika die keek toen heel verwonderd
de mensen zongen bi boe ba het waren er wel honderd
ze dansten naar het warme strand
en riepen met z’n allen
lang leve het bananen land
en trap niet op de kwallen
bi boe banana loe
De grote banaan uit afrika die danste de hele dag
van je bi boe ba ba nanana en iedereen die het zag zei;
hé waar komt die banaan vandaan hé waar gaat ie naar toe
we dansen die banaan achterna van je bie boe ba la loe
de grote banaan uit afrika
begon opeens te rennen
hij wilde naar het water toe
om lekker te gaan zwemmen
hij trok zijn gele jasje uit en sprong toen in de golven
daar werd hij door een hodge zee haast helemaal bedolven
bi boe banana loe
die blote banaan uit afrika
die zwom toen de hele dag
want hij ging terug naar afrika en iedereen die het zag zei;
hé waar zou die banaan heen gaan
hé waar gaat ie naar toe
hij zwemt terug naar Afrika van je bie boe ba la loe
De Bakker
Bakker, Bakker, bolleman,
Bak een broodje, als je kan;
Bak een broodje, lekker rond,
Voor mijn broertje’s kleine mond.
Bakker, Bakker, bolleman
Stook je vuurtje nog wat an!
Stook je vuurtje met wat hout,
Want je deeg dat is nog koud.
Haal je brood en je beschuit
Nu maar gauw den oven uit.
“Dank je baas! Nu met mijn vracht
Naar mijn broer, die lang al wacht.”
Daar was laatst een meisje loos
Daar was laatst een meisje loos
Die wou gaan varen
Die wou gaan varen
Daar was laatst een meisje loos
Die wou gaan varen als lichtmatroos
Zij moest klimmen in de mast
Maken de zeilen
Maken de zeilen
Zij moest klimmen in de mast
Maken de zeilen met touwtjes vast
Maar door storm en tegenweer
Sloegen de zeilen
Sloegen de zeilen
Maar door storm en tegenweer
Sloegen de zeilen van boven neer
Och, kap’teintje, sla me niet
Ik ben Uw liefje
Ik ben Uw liefje
Och, kap’teintje, sla me niet
Ik ben Uw liefje, zoals U ziet.
Zij moest komen in de kajuit
Kreeg een pak ransel
Kreeg een pak ransel
Zij moest komen in de kajuit
Kreeg een pak ransel, en toen was het uit.
Daar liep een oude vrouw op straat
Daar liep een oude vrouw op straat
Jutekei, jutekei, jutekeisasa
Ze had haar rode mutsje op
Jutekei, jutekei, jutekeisasa
En waar die oude vrouw ook liep
vergat ze haar mutsje niet
Jutekei, jutekei, jutekeisasa, jutekeisasa
Columbus
Daar woonde in een heel ver land
Wiede wiede wiet bom bom
Een man met aak’lig veel verstand
Wiede wiede wiet bom bom
Hij kon, wat niemand kreeg gedaan
Hij kon de eieren laten staan
Gloria victoria!
Wiede wiede wiet bom bom sa sa
Gloria victoria
Wiede wiede wiet bom bom
Die man (Columbus was zijn naam)
Wiede wiede wiet bom bom
Was in de scheepvaart zeer bekwaam
Wiede wiede wiet bom bom
Maar ‘t ambacht dat hij eigenlijk dee
Was land ontdekken in de zee
Refrein
‘t Was op een zondagmorgen dat
Wiede wiede wiet bom bom
Columbus aan de koffie zat
Wiede wiede wiet bom bom
En Spanjes koning met de tram
Na kerktijd even bij hem kwam
Refrein
Dag vriend, zei hij, hoe gaat het hier?
Wiede wiede wiet bom bom
Columbus zei: Heel goed menier!
Wiede wiede wiet bom bom
O, zei de koning, dat treft nu
Columbus ik heb werk voor u!
Refrein
Het is ja wijd en zijd bekend
Wiede wiede wiet bom bom
De zee, dat is jouw element
Wiede wiede wiet bom bom
Wil jij Amerika voor mij
Ontdekken, ja? Toe zeg het mij!
Refrein
Colurnbus zei: Is ‘t anders niet?
Wiede wiede wiet bom bom
Zowaar als ik Columbus hiet
Wiede wiede wiet bom bom
Zo’n reisje is me naar de zin
‘k Ga met plezier het zeegat… uit!
Refrein
Columbus was nu binnen ‘t uur
Wiede wiede wiet bom bom
Al bijna klaar. Hij stopte het vuur
Wiede wiede wiet bom bom
Nog even in z’n pijpekop
En trok de klokgewichten op
Refrein
Nu kon hij gaan, en hij had geen vreé
Wiede wiede wiet bom bom
Voordat hij dobberde op de zee
Wiede wiede wiet bom bom
Hij ging toen zelf aan ‘t stuurrad staan
En kwam er met geen stok vandaan
Refrein
Zo voer men maanden alsmaar voort
Wiede wiede wiet bom bom
Maar nergens zag men land aan boord
Wiede wiede wiet bom bom
Het scheepsvolk zei: We gaan weerom!
Columbus zei: Dat nooit, potdom!
Refrein
Maar eind’lijk na de laatste week
Wiede wiede wiet bom bom
Daar zagen ze een groene streek
Wiede wiede wiet bom bom
Land, riep Columbus, ‘k wist het wel!
Elk sprong van blijdschap uit z’n vel.
Refrein
En na een ogenblikje al
Wiede wiede wiet bom bom
Daar zette men de voet aan wal
Wiede wiede wiet bom bom
Ze keken eerst voorzichtig rond;
Let wel! Het was op vreemde grond!
Refrein
Columbus nam toen pistool en dolk
Wiede wiede wiet bom bom
En riep: Hei daar, is hier ook volk?
Wiede wiede wiet bom bom
Toen kwamen hem mensen tegemoet
Maar allemaal zo zwart als roet!
Refrein
Toen hij dat zwarte volkje zag
Wiede wiede wiet bom bom
Zei hij: Ik wens je goede dag
Wiede wiede wiet bom bom
Is dit misschien Amerika?
De wilden krijsten allen: ja!
Refrein
Juist, zei Columbus, ‘k meende’t al
Wiede wiede wiet bom bom
Zijn jullie negers bij geval?
Wiede wiede wiet bom bom
Ja, riepen ze, mijn lieve man
Ben jij misschien Columbus dan?
Refrein
Juist, zei Columbus, zo is ‘t krek
Wiede wiede wiet bom bom
En alle negers werden gek
Wiede wiede wiet bom bom
Och, riepen ze, mijn lieve tijd
Nu zijn we onze vrijheid kwijt!
Refrein
Columbus seinde toen al gauw
Wiede wiede wiet bom bom
Naar Spanjes koning en diens vrouw
Wiede wiede wiet bom bom
‘k Heb land ontdekt en’t volk erbij
Het land aan u; de eer aan mij!
Refrein
Barend Bluf
Barend Bluf, Barend Bluf,
Waarom doe je toch zo oliedom
Barend Bluf, Barend Bluf,
Waarom doe je toch zo suf
Al van de droge haring
Al van de droge haring willen wij zingen
Ter ere van zijn kopje willen wij springen
‘t Is van zijn kop,
Spring nu maar op
‘t Is van de droge haring!
Al van de droge haring willen wij zingen
Ter ere van zijn oogje willen wij springen
‘t Is van zijn oog,
Spring nu maar hoog
‘t Is van de droge haring!
Al van de droge haring willen wij zingen
Ter ere van zijn balgje willen wij springen
‘t Is van zijn balg,
Spring nu maar half
‘t Is van de droge haring!
Al van de droge haring willen wij zingen
Ter ere van zijn startje willen wij springen
‘t Is van zijn start,
Spring nu met hart
‘t Is van de droge haring!
Al in een groen, groen knolle-knolle-land
Al in een groen, groen knolle-knolle-land,
daar zaten twee haasjes heel parmant,
de een die blies de fluite-fluite-fluit
en de ander sloeg de trommel.
Toen kwam opeens een jager-jager-man,
die heeft er een geschoten
en dat heeft naar men denken denken kan
de ander erg verdroten.
Allen die willen naar Island gaan
Allen die willen naar Island gaan
Om kabeljauw te vangen
En te vissen met verlangen
Naar Iseland, naar Iseland, naar Island toe,
Tot drieëndertig reizen zijn zij nog niet moe.
Komt ons de tijd van de fooie aan,
Wij dansen met behagen
En wij weten van gaan klagen
Maar komt de tijd, maar komt de tijd naar zee te gaan
Dan is er wel ons hart van zorgen zwaar belaân.
Als er de wind van het Noorden waait
Wij gaan naar de herberge
En wij drinken zonder erge
Wij drinken daar, wij drinken daar op ons gemak
Totdat de leste stuiver is uit onze zak.
Als er de wind van het oosten waait
De schipper blij van herte
Zegt: Die wind die speelt ons perten:
‘t Zal beter zijn, ‘t zal beter zijn, ‘t zal beter zijn
Te lopen voor de wind recht het Kanaal maar in.
Langs de Lezaars, de Schorels voorbij
Vandaar al naar kaap Claire,
Die niet weet hij zal wel leren
Toen komt erbij, toen komt erbij ons stureman
En hij geeft ons de koerse recht naar Iseland.
Wij lopen het eiland Rokol voorbij
Al naar de Vogelscharen,
Dat kan ieder openbaren
En dan vandaar, en dan vandaar naar Bredefjord
En daar dan smijten wij de kollen buiten bord.
Eind’lijk dan komen w’ op Island aan
Om kabeljauw te vangen
En te vissen met verlangen
Naar Iseland, naar Iseland, naar Island toe,
Tot drieëndertig reizen zijn wij nog niet moe.


