Archive for the ‘Fabels’ Category
De dood en de houthakker
Een houthakker liep krom onder zijn zware vracht
Van afgehakte takken en van afgeleefde jaren.
Hij strompelde en trok een spoor door dorre blaren
Naar de berookte stulp, zijn schuilplaats voor de nacht.
Hij kwam er niet, stond stil, bezweet en uitgeput
En steunde op de takkenbos die hij had afgeschud.
‘Was ik wel ooit gelukkig, ach, waarom ben ik geboren?
Wie heeft er op de wereld meer gezwoegd en steeds verloren?
Alleen wat brood zo nu en dan, nooit was er rust voor mij.
Mijn vrouw en kinderen, de oorlog en daarbij
Belastingen, de schulden en het werk voor de baron.
Mijn zielig levensbeeld is af, ach, als ik rusten kon.’
Hij roept de dood. Die komt terstond en vraagt hem ook meteen:
‘Wat moet ik doen?’ Hij schrikt, herstelt zich en hij zucht alleen:
‘Ach, wilt u deze vracht weer op mijn schouders leggen?
Daarna kunt u weer gaan. Ik heb niets meer te zeggen.’
De dood heelt lijden en verdriet,
Maar roep hem liefst niet voor zijn tijd.
Of kent u het gezegde niet:
‘De dood vlucht voor de mens die strijdt.’
De leeuw, de wolf en de vos
De leeuw was aan de sukkel na het keren van de jaren,
Krom van de jicht, een helse pijn, die niemand kon bedaren.
Maar als een koning jicht heeft, vraagt hij dokters allerhande.
Van elke diersoort, ja zelfs uit verre vreemde landen
Kwamen ze naar ‘t paleis met raad en met recepten.
Alleen de vos bleef thuis, waar hij genoegen schepte
Bij ‘t zien van al die hooggeleerde dieren. Doch zijn pret
Verstierf, toen ook de wolf kwam bij het koninklijke bed
En sprak: ‘Mijn sire, ‘t weze mij geoorloofd, mag de vos
Zich aan zijn plicht onttrekken? Stuur een bode naar ‘t bos!’
‘Zo is het!’ riep de vorst. ‘Herauten, rook hem uit
Zijn hol en breng hem hier, die lelijke schavuit!’
De vos werd naar ‘t paleis gesleurd,
Maar wist wel wat er was gebeurd.
De hatelijke grimlach van de wolf zei hem genoeg.
Hij boog zich onderdanig voor zijn zieke vorst en vroeg:
‘Wil mij wel excuseren, sire, dat ik u liet wachten.
Degene die met opzet mij hier maakt tot uw verdachte,
Verzweeg dat ik voor u ter beevaart ben gegaan.
Ik kom nu pas terug, trof wijze dokters aan.
Zij weten uitkomst voor de pijn die u zo lijden moet.
U hebt alleen maar warmte nodig, want uw koningsbloed
Is met de jaren wat verkild,
Maar heb geen vrees, de pijn verstilt
En zal weldra geheel verdwijnen.
Men gaf u slechte medicijnen!
Eén enkel middel kan uw kwaal op korte tijd genezen:
Een wolvenvacht, pas afgestroopt, hij moet nog bloedig wezen.
Bekleed hiermee uw huid en dra zult u verheugd
Genieten van het leven en uw tweede jeugd.
Uw kamerheer de wolf heeft een zeer goede vacht…’
‘En ik heb honger,’ zei de leeuw. ‘Hij wordt meteen geslacht!’
‘Nu voel ik me pas goed,’ sprak hij, toen hij, gehuld
In de nog warme pels, de wolf had opgesmuld.
Ding niet naar ‘s konings gunst,
Maar leer veeleer de kunst
Om anderen te sparen.
Wie roddelt zal ervaren,
Dat hij door eigen kwaad
Ook zelf ten gronde gaat.
Waan u ook niet te sterk
Door ellebogenwerk:
Wie in te hoge stand
Publiek zijn gat verbrandt,
Zit pijnlijk op de blaren.
De wolf en het lam
‘t Gebeurde eens, dat een lam in ‘t koele water plaschte,
Aan d’afloop van een heldre beek,
Toen hem op eens een wolf verraste,
Die, nuchter uitgevast, rondsnuffelde in de streek.
“Wat!” riep hij met vergramde kaken:
“Het water dat ik drink komt gij hier troebel maken?
Gestraft moet die vermetelheid!”
“Maar, Sire!” sprak het lam, “ik bid Uw Majesteit
Wel allerneedrigst om genade,
En smeek haar niet voorbij te zien
Dat ik nog wel een pas of tien
Van ‘t plekjen waar Zij staat, beneden strooms, mij baadde,
Zoodat ik ‘t water van Haar bron
Onmooglijk troebel maken kon.”
“Dat hebt gij toch gedaan!” riep Grimbaard in zijn toren,
“Maar ‘k ben door u, verleden jaar,
Bebabbeld bovendien! Of is dat ook niet waar?”
“Hoe kan dat?” zuchtte ‘t lam, “Ik was nog niet geboren:
Mijn moeder zoogt mij nog.” – “Dan is ‘t uw broer geweest.”
“Ik heb geen broer.” – “Dan toch het een of ander beest
Van uw famielje! Ik heb steeds boosheid ondervonden
Van u, uw herders, en uw honden!
Dat eischt in ‘t eind een goede les.”
En zonder vorm zelfs van proces
Heeft Grimbaard, één, twee, drie het arme schaap verslonden.
Helaas, zóó gaat het maar in ‘t ondermaansche slijk:
De sterkste heeft altijd gelijk!
De leeuw en de rat
Wil wien gij kunt een dienst bewijzen,
Daar toch uw mindere u zeer noodig wezen kan!
‘k Weet daar een tweetal faablen van:
Zoo zeker is de leer, die ik u aan wil prijzen.
Een rat, die uit zijn gaatjen sloop,
Viel in de klauw eens leeuws. De sukkel had geen hoop.
Maar aller dieren Vorst, geneigd eens blijk te geven
Van ‘tgeen hij waarlijk was, schonk d’armen drommel ‘t leven.
Een weldaad vindt haar loon. Wat leeuw die ooit een rat,
-Zoo denkt men licht- van nooden had?
En toch, te midden van zijn koninklijke gangen
Vond onverwachts de leeuw zich in een net gevangen:
En of hij woelde en of hij dreet,
Het web des jagers hield hem beet.
Maar meester rat snelde aan, doorknabbelde de mazen:
En gaf den leeuw zijn vrijheid weer!
Geduld en Tijd vermogen méér
Dan woeste Kracht en grimmig razen!
De krekel en de mier
De krekel sjirpte dag en nacht, zo lang het zomer was,
Wijl buurvrouw mier bedrijvig op en neer kroop door ‘t gras
“Ik vrolijk je wat op,” zei hij. “Kom, luister naar mijn lied.”
Zij schudde nijdig met haar kop: “Een mier die luiert niet!”
Toen na een tijd de vrieswind kwam, hield onze krekel op.
Geen larfje of geen sprietje meer: droef schudde hij zijn kop.
Doorkoud en hongerig kroop hij naar ‘t warme mierennest.
“Ach, juffrouw mier, geef alsjeblieft wat eten voor de rest
Van deze barre winter. Ik betaal met rente terug,
Nog vóór augustus, krekelwoord en zweren doe ‘k niet vlug!”
“Je weet dat ik aan niemand leen,”
Zei buurvrouw mier toen heel gemeen.
“Wat deed je toen de zon nog straalde
En ik mijn voorraad binnenhaalde?”
“Ik zong voor jou,” zei zacht de krekel.
“Daaraan heb ik als mier een hekel!
Toen zong je en nu ben je arm.
Dus dans nu maar, dan krijg je ‘t warm!”
Wie leeft van kunst gaat door voor gek.
Vaak lijdt hij honger en gebrek.
De raaf en de vos
Meester raaf zat in een eikenboom.
Hij klemde in zijn bek een heerlijk brokje kaas uit Gouda.
Meester vos, gelokt door deze droom
Van geur, keek op en sprak: “Doctor honoris causa,
U met uw wijs en alziend oog
En met uw glanzend zwarte toog,
Als ook uw stemorgaan zo mooi is als uw veren
dan moet toch ieder dier u als een feniks eren!”
Meester raaf, ontroerd door zoveel eer,
Wipte van tak tot tak en boog zich wat naar voren,
Keek toen trots over zijn snavel neer
Op meester vos en om zijn stem te laten horen
Gaapte hij met zijn bek héél wijd.
Maar ja, de kaas was hij toen kwijt.
Hij hapte er nog naar, keek treurig naar beneden.
De vos pakte zijn prooi en fleemde toen tevreden:
“Denk eraan, mijn waarde heer,
Elke vleier schenkt zijn eer
Aan door ‘t lot verwende vrinden
Die zichzelf belangrijk vinden.
Deze wijze les, helaas,
Kost u wel dit brokje kaas!”
Beschaamd verborg de raaf zich in de eikentakken
En kraste toen wat laat: “Mij zul je niet meer pakken!”


